Nadenken

(Je bevindt je in een onderdeel van ‘Fokken’)

Wat gebeurt er als het inteeltcoëfficiënt generatie na generatie groter wordt?

In het begin niet veel. Pas wanneer de inteelt een bepaald kritiek punt bereikt, worden problemen zichtbaar. Zij zijn dan meestal moeilijk te corrigeren. Het is beter deze problemen aan te pakken voordat de symptomen zichtbaar worden. Inteelt betekent een verhoogd risico op verdubbeling van schadelijke recessieve genen. Paar broer en zus, of vader en dochter, en 25 % van alle erfelijke eigenschappen is homozygoot, dat wil zeggen dat beide genen van het genenpaar identiek zijn. Paar twee nakomelingen van dit nageslacht met elkaar, en 37,5 % is homozygoot, enz. Ondanks zulke sterke inteelt, zullen niet alle recessieve, mogelijk schadelijke genen worden blootgelegd maar nog later naar voren komen.

Laten we een foklijn richting 100% gelijke genen fokken (wat feitelijk bijna hetzelfde is als klonen!), waarbij we tot aan het einde flink selecteren tegen schadelijke genen. Alle individuen zullen dan precies hetzelfde genotype hebben, met uitzondering van het feit dat de mannetjes een Y-chromosoom moeten hebben en de vrouwtjes een tweede X-chromosoom. Het zal veel moeite en geld kosten deze lijn te creëren en ondertussen zullen veel honden sterven. Maar we kunnen zo een lijn krijgen die vanuit genetisch oogpunt 100% gezond is. Dit kan wanneer je voorzichtig genoeg bent het niveau van genengelijkheid niet sneller te laten stijgen, dan je in staat bent de slechte genen uit te roeien. Het is gedaan met laboratoriummuizen; men slaagt er alleen maar in één op de twintig lijnen te laten overleven. Ondertussen sterven de andere negentien lijnen uit!

Waarom is het zo moeilijk uniforme genen te krijgen voor alleen goede eigenschappen?

1          Bij meer dan 20 % inteelt worden pups zwak en onvruchtbaar. Het immuunsysteem werkt beter als er variatie in de genen bestaat, omdat dit het individu de mogelijkheid geeft verschillende soorten antilichamen te ontwikkelen. Ook vinden spontane mutaties plaats die op den duur dat prachtige genotype zouden vernietigen. Je kunt rekenen op één of twee nieuwe mutaties per individu.

2          Veel fokkers denken dat het beter is een populatie te hebben met meer inteelt en minder verschillende soorten genetische afwijkingen, om ze beter onder controle te kunnen houden. Het is beter dat verschillende schadelijke recessieve genen minder vaak voorkomen, dan dat één enkelvoudig recessief gen vaker voorkomt. De meest effectieve manier een ras gezond te houden, is niet proberen de schadelijke recessieve genen uit te roeien, maar de frequentie op zo’n niveau te krijgen, dat twee schadelijke recessieve genen van dezelfde soort elkaar bijna nooit tegenkomen.

Laten we een populatie A met een genfrequentie van 50 % voor een bepaalde recessieve afwijking vergelijken met een populatie B met genfrequenties van 10 % voor vijf verschillende recessieve afwijkingen. Beide populaties hebben dan dezelfde frequentie aan schadelijke genen, maar populatie A heeft maar één soort afwijkende gen (gemakkelijker beheersbaar), terwijl populatie B zijn afwijkende genen heeft verdeeld in vijf verschillende soorten. Het risico dat een pup in populatie A de genetische afwijking heeft is dan 1 x 0.5 x 0.5 = 0.25 = 25%. Het risico dat een pup een genetische afwijking heeft in populatie B is 5 x (0.1 x 0.1) = 0.05 = 5%.

3          Volgens de wet van de grote getallen kunnen problemen in een ras met veel (fok)dieren zich vanzelf oplossen. Neem MDR1: één hond was de eerste met deze mutatie. Stel dat dit een Labrador was, een ras met een grote populatie, dan zou het mutante gen een frequentie hebben van bijna nul en zijn aandeel aan het nageslacht wordt dan gecompenseerd door dat van vele andere honden. In een zeldzaam ras als de Longhaired Whippet echter, werd zo’n hond vaker ingezet en minder gecompenseerd door het aandeel van andere honden aan de volgende generatie. Deze generatie kon het mutante gen nog sneller verspreiden.

4          Als er niet zoveel dieren in het ras zitten, treedt een willekeurig effect op dat genetische neiging wordt genoemd. Als je 1000 keer kop of munt gooit, kloppen de statistieken en zul je in de buurt van de 50 % kop gooien. Als je maar 10 keer opgooit, kan je weleens zeven keer kop gooien, of vier keer. In een kleine populatie met een probleem met een genfrequentie van zeg 30 % kan de frequentie met de volgende generatie uitkomen op 34%, of op 27%. Uitgaand van 34% zou met wat pech de volgende generatie op 38 % komen, enz. Weliswaar zullen de voorstanders van een sterkere genselectie aanvoeren dat je met wat geluk juist een dalende genfrequentie erin kan fokken, maar het grote manco aan deze redenering is dat er op geen enkele wijze sturing gegeven kan worden aan de genetische neiging.

Hoe kleiner de populatie, hoe groter het risico. Als de invloed van deze genetische neiging sterker wordt dan de invloed van de selectie – natuurlijk of kunstmatig – kunnen de veranderingen van de genfrequentie heel goed het tegenovergestelde zijn van wat we voor ogen hadden, ONDANKS de selectie. Fokken met kleine populaties en tegelijkertijd projecten starten om genetische afwijkingen te bestrijden, is zoiets als behandeld worden voor longkanker en blijven roken.

Genenpool

Het ontwikkelen en onderhouden van een genenpool die groot genoeg is, is een soort voorzorgsmaatregel voor elk ras. Daarom zou met zoveel mogelijk goede Longhaired Whippets moeten worden gefokt. En daarom is het stamboek van de Longhaired Whippet nog niet gesloten, en worden nog af en toe Whippets ingekruist.

Hoe zit dat nu met een Whippet x Longhaired Whippet kruising?

Deze rassen verschillen uiterlijk eigenlijk maar op één onderdeel: de vacht. De officiële aanduiding van de ouders is P (van ‘parents’). De officiële aanduiding van hun eerste nakomelingen is F1 (van ‘fils’), deze kinderen geven de volgende generatie F2, enz. In de P zitten een korthaar en een langhaar. Korthaar is dominant over langhaar, dus de F1 ziet eruit als een Whippet, maar ieder draagt ook een langhaar gen, zie de eerste wet van Mendel in de link: Genetica. In de F2 kunnen echte Whippets zitten en echte Longhaired Whippets, maar vooral nog honden met een gen voor kort en een gen voor lang haar, zoals in de F1. De Longhaired Whippet heeft nog niet de volle vacht die we van het ras gewend zijn, maar met het voortschrijden van de generaties komt dat terug. Het duurt vier tot vijf generaties voor je weer een goede Longhaired Whippet hebt. Ook een kruising van een F1 hond met een Longhaired Whippet levert, naast meer F1 types, niet meteen een volle vacht op.

    
F1 hond                                                              F2 hond

Ga terug naar de link: Fokken