Fokmethoden

(Je bevindt je in een onderdeel van ‘Fokken’)

Natuur

Een wolvenroedel bestaat uit een leidende reu en teef, en hun nageslacht. Een achterhaalde theorie is dat alle leden van een roedel zich binnen de roedel proberen voort te planten, waardoor bijvoorbeeld broer-zus en vader-dochter paringen zouden plaatsvinden. In Yellowstone Parc worden sinds 1995 dagelijks wolvenroedels gevolgd en bestudeerd. Alleen de sterkste, slimste, meest ervaren wolf mag een roedel leiden. Normaal mag alleen het leidende paar zich voortplanten, waarbij reu en teef elkaar trouw zijn. Sommige roedelleden moeten hun geluk elders beproeven. Het leven zonder roedel is een stuk moeilijker en alleen een sterke, slimme wolf overleeft dit en ontmoet een partner. Zo kan een nieuwe roedel ontstaan. Het leven is onvoorspelbaar, en wanneer een leidend dier zijn partner verliest, zoekt hij instinctief een nieuwe partner buiten de roedel.

Uitkruisen

Hierbij worden niet aan elkaar verwante dieren van hetzelfde ras gepaard. Dat wil zeggen, dat op de stambomen van beide partners, die gewoonlijk de namen van ouders, grootouders overgrootouders en eventueel betovergrootouders bevatten, geen dubbele namen staan. Hierdoor zal er een grote variatie aan nakomelingen zijn: het toverballennest. Veel fokkers vinden dit te onzeker en de gemiddelde kwaliteit van de nakomelingen wat laag. De van buiten gehaalde ‘nieuwe’ eigenschappen kunnen zowel positief als negatief bijdragen. Voorbeeld: Een Labrador uit een jachtlijn pept de werkcapaciteit van de nakomelingen van een Labrador uit een showlijn op, maar zij verliezen showkwaliteit.

Lijnteelt

Dit is een milde vorm van inteelt, waarbij min of meer aan elkaar verwante dieren aan elkaar worden gepaard. Dat wil zeggen, dat op de stamboom enkele namen in verschillende kolommen terugkomen, bijvoorbeeld door (over)grootouders en (achter)kleinkinderen te paren. De eigenschappen van deze honden komen duidelijker terug in de nakomelingen. Zo heeft de fokker meer zekerheid dat door hem geselecteerde eigenschappen behouden blijven. Dit geldt echter ook voor de minder gewenste eigenschappen. Wanneer je de beste dieren, met tegelijk de minste ongewenste eigenschappen, voor lijnteelt gebruikt en hen vervangt zodra er betere dieren zijn, kun je het ras verbeteren.

Inteelt

Dit is een ver doorgevoerde vorm van lijnteelt, waarbij sterk aan elkaar verwante dieren worden gepaard, bijvoorbeeld ouder en kind, of nestgenoten. De fokker heeft zo de meeste zekerheid genetisch materiaal vast te leggen, en ook nog zo snel mogelijk, omdat een groter deel, tot wel de helft van de genen hetzelfde is. Verborgen gebreken (recessief) vererven net zo zeker mee, waardoor vrij snel inteeltdepressie ontstaat en strenge selectie moet worden toegepast. Dit is een vicieuze cirkel waarbij het genenmateriaal steeds beperkter wordt. Inteelt met dieren die over uitzonderlijk goede eigenschappen beschikken en geen zichtbare fouten hebben kan  even zinvol zijn, maar hoelang moet je er daarna nog mee doorgaan??

Inteeltcoëfficiënt

Uit bovenstaand verhaal over lijn- en inteelt blijkt, dat er gradaties van inteelt zijn. Dit kan in percentages worden uitgedrukt en er is onderzoek gedaan naar welk percentage acceptabel is. Dit cijfer kan op de stamboom worden vermeld. Computerprogramma’s kunnen aan de hand van in een database ingevoerde stambomen het inteeltcoëfficiënt van een voorgestelde combinatie  berekenen.

Padcoëfficiënt methode
Begin met het tekenen van een schematische stamboom, waarin elk individu maar één keer voorkomt. De pijlen moeten van de ouders naar het nageslacht wijzen en altijd naar beneden of diagonaal naar beneden wijzen.

Voorbeeld 1: Normale stamboom en schematische stamboom

 

Zoek in de schematische stamboom naar alle paden, die van de ene naar de andere ouder lopen, maar passeer elk individu op een pad maar een keer. Tel in elk pad het aantal individuen. De bijdrage van elk pad aan het inteeltcoëfficiënt is ½ tot de X-de macht, waarbij X het aantal bij het pad betrokken individuen is. In voorbeeld 1 lopen twee paden van de ene naar de andere ouder, waarbij een gemeenschappelijke voorouder werd onderstreept:

CAD = (1/2)³ = 1 / (2 x 2 x 2) = 1/8
CBD = (1/2)³ = 1 / (2 x 2 x 2) = 1/8
Inteelt E: 1/8 + 1/8 = 1/4 = 0.25

Als de gemeenschappelijke voorouder, waar het pad draait en weer naar beneden gaat, ingeteeld is, houd daar dan rekening mee. Bereken de inteeltcoëfficiënt van deze voorouder door van de padcoëfficiënt methode gebruik te maken. Voeg 1 toe aan dit inteeltcoëfficiënt en vermenigvuldig met de uitkomst van het betreffende pad. Als het aantal individuen langs een pad n is en de inteelt coëfficiënt van de gemeenschappelijke voorouder F is, is de totale bijdrage van de inteeltcoëfficiënt (1/2)^n x (1+F). De som van de bijdragen van alle paden is dan de inteeltcoëfficiënt.

Voorbeeld 2: Invloed gemeenschappelijke voorouder

 

De bestaande paden zijn BDC, BDFEC, BEFDC, BDEC, BEDC, BEC. De gemeenschappelijke voorouder D is ingeteeld.

Schematische stamboom D

 

De inteelt in D is (1/2)² = 1/4. De bijdrage aan het inteeltcoëfficiënt van elk pad is:

 Pad  F  (1/2)^n x (1+F)  totaal
BDC
BDFEC
BEFDC
BDEC
BEDC
BEC
3
5
5
4
4
3
1/4
0
0
0
0
0
(1/2)³ x (1+1/4) = 1/8 x 5/4 = 5/32
(1/2)^5 x (1+0) = 1/32
(1/2)^5 x (1+0) = 1/32
(1/2)^4 x (1+0) = 1/16
(1/2)^4 x (1+0) = 1/16
(1/2)³ x (1+0) = 1/8
= 0.15625
= 0.03125
= 0.03125
= 0.06250
= 0.06250
= 0.12500
 Inteelt A        = 0.46875

Het inteeltcoëfficiënt van 5 generaties zou gemiddeld maximaal 2.5 % van alle paringen mogen zijn, maximaal ongeveer 5 % van 10 generaties. Dat is in ons ras nog niet goed haalbaar; met een inteeltcoëfficiënt van  13 % mag je al heel tevreden zijn. Er wordt gestreefd naar paringen tussen dieren die niet nauwer verwant zijn dan neef en nicht, dat is maximaal ongeveer 6.25 % van 4-5 generaties.

Ga terug naar de link: Fokken
Ga verder naar de link:
Nadenken